Zie ook: Pensioenscheiden

Homepage
Het doel van deze site
Waarom?

ABP tot 01.01.1996
Pensioenreglement

ABP Wet Privatisering

ABP vanaf 01.01.1996
Pensioenreglement

AMP tot en met 31.12.2000

NP Reglement Militairen

DGA Eigen Beheer
Regeling 23.12.1994
Voorwaardenbesluit

Eindloon
Art 8 lid 3 of art 8 lid 2

Gem. leeftijdsverwachting
Mannen
Vrouwen
Sekseneutraal

Middelloon
Altijd hoger dan de toezegging

Pagina 2
PSW artikelen scheiding
Regelen VZI Ovk PSW

Pagina 2a
Regeling voor berekening in geval
van waarde-overdracht

Wet VPS vanaf 01.05.1995

Wet VPS vanaf 01.07.2022

Pagina 3a
Burgerlijk Wetboek

Pagina 4
PW artikelen scheiding

PW vanaf 2023.01.01
PW vanaf 2023.07.01

Pagina 6
Metalektro tot 1993

Pagina 7
Metalektro vanaf 1993

Pagina 8
Begrippenlijst

Pagina 9
Indexeringspercentages
vanaf 01.01.1982
- ABP faktoren
- BPF Bouw
- KPN
- PME
- PMT
- SPF

Pagina 9a
- Smurfit Kappa
- PMA
- Koopvaardij
- Horeca en Catering

Pagina 9b
Indexering act deelnemers
- SK
- PMT
- PME
- ZW
- HR
- Bouw
- SPN
- ABP
- BW

Pagina 9c
Indexering
Wettelijke alimentatie

Pagina 10
Pensioensystemen
Financieringssystemen

Pagina11
Belangrijke wetswijzigingen

Pagina 13
AOW cijfers vanaf 1980
Wettelijk rente
Ingang AOW opSoc. Wet. Min. Loon

Pagina 14
Wet VPS mbt berekening voor 01.05.1995, gewijzigd 2006

Pagina 15
Wetten mbt vrijstelling BPF
Wet van 17.03.1949
Beschik. Staats 15.08.1988
Vrijstellingsregeling Wet BPF

Tarieven

Rekenrente 4%

Rekenrente 2%

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (vanaf 1 mei 1995)

Art 1 - Definities en toepassingsgebied

1.1 - Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder a.scheiding: echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel beeindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing
b.tijdstip van scheiding: de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand
c. uitvoeringsorgaan: de natuurlijke- of rechtspersoon, die tot uitbetaling van pensioen gehouden is
d. pensioen: ouderdomspensioen
e. werkgever: de werkgever van de tot verevening verplichte echtgenoot
f. partnerpensioen: weduwen- en weduwnaarspensioen, bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen

1.2 - Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder
a. echtgenoot: (eerdere) echtgenoot dan wel (eerdere) geregistreerde partner
b. aanspraak op pensioen: uitzicht op pensioen
c. pensioen: toegekend pensioen dat naar diensttijd is berekend
d. huwelijkse voorwaarden: voorwaarden van een geregistreerd partnerschap
e. huwelijksvermogensregime: partnerschapsvermogensregime
f. huwelijkssluting: registratie van een partnerschap
g. hertrouwen: het aangaan van een huwelijk na geregistreerd partnerschap, het aangaan van een geregistreerd partnerschap na een huwelijk

1.3 - Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder pensioen niet verstaan een ingegaan of tijdelijk pensioen of een aanspraak op tijdelijk pensioen op grond van regelingen ingevolge welke alleen een recht op uitkering van pensioen bestaat indien aan betrokkene aansluitend aan het dienstverband dat tijdelijk pensioen wordt dan zal worden uitgekeerd.

1.4 - Deze wet is van toepassing op pensioen ingevolge:
a. een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst als bedoel in artikel 1 van de Pensioenwet; alsmede een pensioenovereenkomst die is gesloten met een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
b. een pensioenregeling die van toepassing is op degenen, voor wie met toepassing van:
1. de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioen 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht was gesteld , voorzover de regeling niet onderdeel a viel, of
2. Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht is gesteld, voorzover de regeling niet onder a valt.
c. de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen
d. de Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers
e. de Wet op het notarisambt
h. een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
i. een pensioenregeling op grond van een pensioenovereekomst van een natuurlijk persson aan degene, die met hem een overeenkomst heeft tot het verrichten van huiselijke of andere persoonlijke diensten
j. de pensioenregeling welke van toepassing is op werknemers in sociale werkvoorziening.

1.5 - De wet is voorts van toepassing op pensioen als bedoeld in:
a. de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960
b. de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandskorps

1.6 - De wet is voorts van toepassing op pensioen dat is opgebouwd uit middelen welke ten laste komen van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering

1.7 - Het vierde, vijfde en zesde lid gelden ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten

1.8 - Indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot

1.9 - Bij algemene maatregel van bestuur kunnen uitkeringen ingevolge enigerlei regeling worden aangemerkt als pensioen in de zin van deze wet.

Artikel 2 Recht op pensioenverevening. Recht op uitbetaling

2.1 - Ingeval van scheiding en voorzover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of een bij schrift gesloten overeenkomst met het oog op scheiding.

2.2 - Ingevolge het in het eerste lid bedoelde recht op verevening ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding van die scheiding en van het tijdstip van scheiding door één van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bekend gemaakt in de Staatscourant. Een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit. Ingeval partijen de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten moeten zij een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan overleggen. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, BW1.

2.3 - De uitbetaling geschiedt onder de voorwaarden vermeld in de toepasselijke regeling. Indien het tijdstip van scheiding voor pensioeningang ligt of daarmee samenvalt, gaat de uitbetaling in op het tijdstip van pensioeningang, met dien verstande dat deze uitbetaling niet eerder ingaat dan een maand na de datum waarop het uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft ontvangen. Indien het tijdstip van scheiding na pensioeningang ligt, gaat de uitbetaling in een maand na de datum waarop het uitvoeringsorgaan het in het tweede lid bedoelde formulier heeft ontvangen.

2.4 - Het recht op uitbetaling eindigt op het tijdstip waarop het recht op pensioen eindigt of met het einde van de maand waarin de tot verevening gerechtigde echtgenoot is overleden. Het recht op uitbetaling eindigt eveneens met het einde van de maand waarin de echtgenoten een schriftelijke mededeling aan het uitvoeringsorgaan hebben gedaan, dat zij met elkander zijn hertrouwd dan wel, in geval van scheiding van tafel en bed, in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in arikel 16 van Boek 1 van Het Burgerlijk Wetboek, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan.

2.5 - Na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde formulier verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk waaruit de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraak waarop de verevening zal worden gebaseerd blijkt alsmede de in het derde lid bedoelde ingangsdatum van de uitbetaling. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift

2.6 - De tot verevening gerechtigde echtgenoot heeft een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot indien niet ingevolge het tweede lid een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan is ontstaan, alsmede indien de uitbetaling ingevolge het derde lid ingaat na pensioeningang. In dit laatste geval houdt het recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot op zodra de uitbetaling door het uitvoeringsorgaan ingaat. Op het recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot is het bepaalde bij of krachtens deze wet van overeenkomstige toepassing.

NB. Veiligstelling recht op uitbetaling

Indien een besloten vennootschap de pensioenovereenkomst die zij heeft gesloten met een DGA in eigen beheer uitvoert, is de gewezen echtgenoot van de DGA ten aanzien van recht op uitbetaling afhankelijkvan de gegoedheid van de betrokken besloten vennootschap. Onder omstandigheden kan het onaanvaardbaar zijn dat na een scheiding de pensioenreserve die in de besloten BV aanwezig is ter dekking van het recht op uitbetaling van de gewezen echtgenoot in de BV wordt gelaten. De gewezen echtgenoot kan dan met succes eisen dat het dekkingskapitaal wordt gestort onder een levensverzekeringsmaatschappij. Datzelfde geldt ten aanzien van het recht op bijzonder partnerpensioen van de gewezen echtgenoot als bedoeld in art. 3a WVP. (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 636, PJ 2004,63)

Art 3 Vaststelling van het te verevenen pensioen

3.1 - Het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, bedraagt de helft van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald indien:
a. de tot verevening verplichte echtgenoot uitsluitend gedurende de deelnemingsjaren tussen de huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding zou hebben deelgenomen;
b. hij op het tijdstip van scheiding de deelneming beeindigd zou hebben;
c. hij tijdens de periode dat hij recht op pensioen heeft gehuwd of geregistreerd zou zijn.

Noot PS 10.06.2020 14.17: Zie uitgave van Wolters Kluwer, Pensioenrecht: 6e druk onder redactie van
mr. M. Dommerholt en mr. J.R. Wirschell: Wanneer de vereveningsplichtige echtgenoot op het tijdstip van scheiding deelnemer blijft in de pensioenregeling en de opbouw van het pensioen wordt voortgezet, wordt bij latere salariswijziging de pensioenopbouw voortgezet op basis van het gewijzgde (veelal verhoogde) salaris. In eindloonregelingen vindt aldus (achteraf) over reeds verstreken dienstjaren een verhoogde pensioenopbouw plaats (backservice). Voor zover de hieruit voortvloeiende pensioenverhogingen betrekking hebben op perioden waarover ook het te verevenen pensioen is berekend, vindt niet een dienovereenkomstige verhoging plaats van het vereveningsdeel. Het vereveningsdeel wordt immers afgeleid van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald indien de vereveningsplichtige op het tijdstip van scheiding de deelneming beëindigd zou hebben, dus van een op het echtscheidngstijdstip ten behoeve van de pensioenverevening vastgestelde premievrije aanspraak op pensioen.

Noot PS 10.06.2020 14.32: Het vereveningsdeel wordt dus ook ingeval van doorlopende pensioenopbouw verhoogd overeenkomstig de verhoging van premievrije pensioenaanspraken in de sector (bedrijfstak) of onderneming waarin de pensioenregeling geldt. De verhoging blijft dan beperkt te blijven tot het niveau van de algemene loonontwikkeling in de sector of onderneming waarin de pensioenregeling geldt ofwel tot het niveau van de algemene prijsontwikkeling of zelfs tot een lager niveau. De vereveningsgerechtigde echtgenoot kan derhalve niet profiteren van lagere individuele pensioenverhogingen voor zover die uitgaan boven de bedoelde (algemene) loon- of prijsontwikkeling.

(RB: ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6964: RB Den Haag 26 maart 2003 /02.1517)
NB: In de Wet VPS is hier echter geen wetgeving voor geformuleerd. Pensioenverzekeraars weten dan ook niet, hoe ze hiermee moeten omgaan!

In artikel 17 van de Pensioenwet staat omschreven dat de verwerving van pensioenaanspraken in het kader van een uitkeringsovereenkomst of een kapitaalsovereenkomst gedurende de deelneming tenminste evenredig in de tijd plaats vindt.

In artikel 55 lid 1 van de Pensioenwet wordt vermeld dat bij beëindiging van de deelneming de gewezen deelnemer de tot dat moment opgebouwde pensioenaanspraken behoudt indien er sprake is van een uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst. Deze pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment van beëindiging.

In artikel 55 lid 2 van de Pensioenwet wordt aangegeven dat bij een premieovereenkomst de beeindiging van de deelneming de vaststelling van de pensioenaanspraken als volgt wordt uitgevoerd: het tot op dat moment ontstane kapitaal voortvloeiend uit de tot de beeindiging beschikbaar gestelde premies wordt:
a - belegd tot de pensioendatum;
b - aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal dat beschikbaar komt op de pensioendatum
c - aangewend voor een verzekerde levenslange uitkeirng vanaf de pensioendatum, al dan niet in combinatie met een aanspraak op nabestaandenpensioen.

Indien de betreffende pensioenaanspraak op het tijdstip van de scheiding nog niet volledig is afgefinancierd, omdat de werkgever nog een vorm van uitstelfinanciering hanteert, dient ook in dat geval de als voormeld vast te stellen tijdsevenredige aanspraak op het te verevenen pensioen worden aangehouden en niet de aanspraak voorzover die op het tijdstip van de scheiding is gefinancierd.

Indien de deelneming op een tijdstip gedurende het huwelijk reeds geeindigd is, moet van dat tijdstip worden uitgegaan ter berekening van het te verevenen pensioen. Ook dan geldt dat de tijdsevenredige aanspraak op ouderdomspensioen moet worden vastgesteld. Ook nu doet niet ter zake of de pensioenaanspraken zijn afgefinancierd.

3.2 - Indien het pensioen na ingang daarvan wordt verhoogd of verlaagd, wordt het bedrag dat voortvloeit uit het eerste lid verhoogd of verlaagd met een evenredig deel van de verhoging of verlaging van het pensioen.

3.3 - Een pensioen wordt niet verevend, indien op het tijdstip van scheiding het deel van dat pensioen, waarop recht op uitbetaling ontstaat, het in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet genoemde bedrag niet te boven gaat.

NB. Een Ongehuwdenpensioen wordt in de berekening niet meegenomen. Voor het vaststellen van het te verevenen pensioen dient immers uitgegaan te worden dat de vereveningsplichtige gehuwd is!

Ongehuwdenpensioen: Verschil ongehuwde AOW en AOW pensioen voor beide gehuwden tezamen.

Art 3a Behoud aanspraak op partnerpensioen in geval van scheiding

3a.1 - Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap van een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet eindigt door scheiding, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een aanspraak op partnerpensioen als de directeur-grootaandeelhouder ten behoeve van die gewezen echtgenote zou hebben verkregen indien op het tijdstip van de scheiding de pensioenopbouw zou zijn beeindigd, anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

3a.2 - Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap van een directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet eindigt door scheiding, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een aanspraak op partnerpensioen als de directeur-grootaandeelhouder ten behoeve van die gewezen echtgenoot heeft verkregen bij beeindiging van de pensioenopbouw, anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd

3a.3 - Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing, indien de directeur-grootaandeelhouder en zijn echtgenoot bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen.

3a.4 - Het uitvoeringsorgaan verstrekt aan de gewezen echtgenoot een bewijs van diens aanspraak.

3a.5 - De aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van de echtgenoot van een directeur-grootaandeelhouder kan zonder toestemming van die echtgenoot niet bij overeenkomst tussen de directeur-grootaandeelhouder en het uitvoeringsorgaan of de werkgever worden verminderd.

Artikel 4 Afwijkende verdelingsmethoden

Art 4.1 - Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op scheiding kunnen de echtgenoten in afwijking van artikel 3, aanhef en onderdeel a van het eerste lid, overeenkomen het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bepalen op een door hen te kiezen vast percentage dan wel de in artikel 3, eerste lid, onder a, nader bepaalde periode te wijzigen. Het bij geschrift met het oog op scheiding door de echtgenoten overeen te komen deel kan niet worden bepaald op een percentage dat op het tijdstip van scheiding resulteert in een pensioenaanspraak gelijk aan of lager dan het in artikel 3, derde lid, bedoelde bedrag.

Art 4.2 - Mits de echtgenoten binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Art 4.3 - Na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijssstuk als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschift.

Artikel 5 Conversie

Art 5.1 - Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op scheiding kunnen de echtgenoten in geval van echtscheiding dan wel beeindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing overeenkomen, dat artikel 2, tweede tot en met zesde lid, buiten toepassing blijft en dat de echtgenoot die anders een recht op uitbetaling op pensioen zou hebben verkregen in de plaats van dat recht en zijn aanspraak op partnerpensioen jegens het uitvoeringsorgaan een eigen recht op pensioen verkrijgt. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het betrokken uitvoeringsorgaan is gehecht dat het instemt met bedoelde omzetting.

Art 5.2 - Mits de echtgenoten binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Art 5.3 - Na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijssstuk van zijn eigen recht op pensioen. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschift; hij ontvangt voorts een opgave van zijn verminderd pensioen.

Artikel 6 Kosten

Art 6.1 Het uitvoeringsorgaan is bevoegd om de kosten van een verevening voor de helft aan ieder der echtgenoten in rekening te brengen dan wel in mindering te brengen op de aan hen uit te betalen bedragen.

Art 6.2 Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde kosten kunnen door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat ingaat nadere regels worden gesteld.

Artikel 7 Vermogensrechtelijke bepalingen

Art 7.1 Voor de toepassing van wettelijke en andere bepalingen met betrekking tot beslag, inhouding en korting wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot diens pensioen te behoren.

Art 7.2 Voor de toepassing van wettelijke en andere bepalingen met betrekking tot de mogelijkheid om te beschikken over pensioen of een aanspraak op pensioen wordt het deel van het pensoen of de aanspraak op een deel van het pensioen, welk deel niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald, geacht niet tot diens pensioen onderscheidenlijk aanspraak op pensioen te behoren.

Art 7.3 Afkoop in de zin van de toepasselijke regeling is slechts toegestaan indien met de pensioenbelangen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot op redelijke wijze is rekening gehouden.

Art 7.4 Met betrekking tot de berekening en het recht op uitbetaling van het pensioen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot in geval van waardeoverdracht als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, alsmede hetgeen daarmee overeenkomt in de overheidspensioenwetten kunnen door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels worden gesteld.

Art 7.5 Voor de toepassing van wettelijke bepalingen met betrekking tot een volmacht tot invordering van pensioen wordt het deel van het pensioen dat niet aan de tot verevening verplichte echtgenoot wordt uitbetaald geacht niet tot diens pensioen te behoren.

Artikel 8 Wijzging van het uit te betalen bedrag

Art 8.1 Indien een pensioen wordt verlaagd of verhoogd, uitsluitend wegens ingang op een vroeger of later tijdstip dan het op grond van de desbetreffende regeling normale tijdstip, wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, op overeenkomstige wijze verlaagd of verhoogd.

Art 8.2 Indien een pensioen wordt verminderd wegens samenloop met één of meer andere te verevenen pensioenen wordt het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, op overeenkomstige wijze verminderd.

Artikel 9 Mededelingsplicht

De echtgenoten, het uitvoeringsorgaan en de werkgever zijn gehouden desgevraagd elkaar over en weer die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de rechten en plichten die uit deze wet voortvloeien.

Artikel 10 Nadere regelgeving

Bij ministeriele regeling worden door onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met onze Ministers wie dat aangaat nadere regels gesteld voor de berekening van pensioen dat betrekking heeft op de deelnemingsjaren gelegen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Art 11 Niet in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten. Overgangsrecht.

Indien de echtgnoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.

Artikel 12 Temporele werking. Scheidingen voor 27 november 1981.

Art 12.1 Deze wet is niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Art 12.2 Niettemin is deze wet van overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren van de echtgnoten tezamen of van één van hen, en met dien verstande dat het deel bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten worden uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is voor zover reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioenhad opgebouwd. Ook in geval van een geschil hieromtrent tussen de echtgenoten is het uitvoeringsorgaan gehouden tot uitbetaling ingevolge artikel 2, derde lid, zolang de rechter niet op verzoek van één der echtgenoten anders beslist.

Art 12.3 Een recht op verevening ingevolge het tweede lid onstaat slechts indien de mededeling, bedoeld in artkel 2, tweede lid, plaatsvindt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 2, zesde lid, is niet van toepassing.

 

Terug naar: PensioenScheiden